De Rechtbank Den Haag heeft een 60-jarige praktijkondersteuner van een huisartsenpraktijk vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen met twee patiënten in 2022 en 2023. Volgens de rechtbank is er onvoldoende bewijs voor de beschuldigingen dat de man de borsten van de vrouwen heeft betast.
De rechtbank benadrukt dat in zedenzaken het juridische minimumbewijs vaak moeilijk te leveren is, omdat verklaringen van aangevers en verdachte geregeld tegenover elkaar staan. In zulke gevallen is zogenoemd steunbewijs nodig dat de aangifte ondersteunt.
De rechtbank oordeelt dat daarvan in deze zaak onvoldoende sprake is. In het dossier van een van de aangeefsters zitten verklaringen van haar echtgenoot, die sprak over stil en afstandelijk gedrag nadat zij hem in november 2023 over het vermeende incident had verteld. Een concrete beschrijving van haar emotionele toestand direct na het vermeende misbruik ontbreekt echter. Ook over een vermeend incident in januari 2022 verklaarde de man dat zijn vrouw in de jaren daarna afstandelijker was geworden, maar dat acht de rechtbank onvoldoende specifiek.
In de zaak van de tweede aangeefster bevatten verklaringen van haar echtgenoot geen eigen waarnemingen en geen uitvoerige beschrijving van emoties. Bovendien komen die verklaringen volgens de rechtbank niet vanzelfsprekend overeen met haar eigen relaas. Een andere getuigenverklaring biedt evenmin steun. De rechtbank spreekt de verdachte daarom van alle feiten vrij.